Vooroorlogs uniform

Het uniform van destijds werd gedragen door het leger in Nederlands Indië. Hierbij hoorden ook de beruchte beenwindsels, die als een rol verband om het onderbeen vastgemaakt moesten worden. Toen de vader van Cep en Mei Roberts in 1930 overleed werd Cep voor diens uniform gecharterd;
het bredere postuur van vader werd weggewerkt met een aantal spelden.
Bart Kruitwagen had deze poeties in militaire dienst nog gedragen en moest zoon Wiel helpen om ze op de juiste manier vast te maken, anders raakten ze los en sleepte de schutter een meterslang lint achter zich aan. Mei heeft dit uniform niet gedragen; hij ging bij het in 1935 opgerichte tamboer- en fluitkorps, dat witte hemden en dito broek droeg, zwarte band en stropdas met een “belsj kepke”.

Het schieten

Tot direct na de oorlog werd de koningsvogel geschoten; een aantal schutters schoot, in een halve boog staande, tegelijkertijd met hun eigen geweer op de vogel.
Omwille van diverse veiligheidsvoorschriften -Bingelraadse schutters waren met geladen geweer aangehouden- moest voor dit schieten na de oorlog de zware buks gebruikt worden. Amstenrade beschikte al langer over een zware buks voor het concoursschieten. In 1933 werd een buks gekocht van de Duitser Frings te Venlo voor ƒ 600,=.
Eerder was er een Halbach-geweer.